Tatoeages heeft hij niet, als voormalige schipper van de Z-510. Die heeft hij ook niet nodig, want iedereen in het Zeebrugse vissersmilieu kent hem en zou hem dus wel herkennen, mocht hij destijds overboord geslagen zijn. Maar Emiel Utterwulghe (77) is wel getekend door het leven. Hij verloor zijn zoon, en daarmee ook zijn gedoodverfde opvolger. Toch blijft hij zijn kennis tot op vandaag opkrikken én delen. Met andere vissers, maar ook met wetenschappers en politici. “Al moeten we allemaal toegeven: de visserij valt niet te voorspellen.”
Van vader op zoon
Emiel kreeg de passie voor de visserij naar eigen zeggen ‘met pollepels’ ingegoten. “Al mijn voorvaderen waren vissers. Die familiegeschiedenis gaat zeker terug tot de 19de eeuw”, weet hij. “Mijn grootvader Petrus legde honderd jaar geleden de eerste boot van onze rederij. Daarna breidde mijn vader Albert de vloot uit, samen met zijn broers Emiel en Leon – ‘de drie musketiers’ van Heist. Zelf voer ik op mijn 14de voor het eerst mee op zee. Tot tien jaar geleden was ik de reder van de Z-510 Dennis, die in 2000 vernoemd werd naar mijn zoon”, wijst Emiel naar foto’s van de jongeman en de boot. Dit boomkorschip, met brede netten langs beide zijden, staat tot op vandaag bekend als het vlaggenschip van de Vlaamse visserij. En dat is grotendeels de verdienste van de voormalige schipper. “Uiteraard wou ik mijn zoon op mijn beurt al mijn kennis overdragen, maar helaas overleed hij in 1995 op 21-jarige leeftijd bij een arbeidsongeval op de kade”, stokt hij. “Zijn neef, de zoon van mijn zus, houdt de traditie wel verder in stand als de huidige schipper en reder van deze vissersboot.”
Topbesommer
Emiel heeft in zijn roemrijke carrière alle rangen doorlopen, van ketelbinkie tot kapitein. “Ik behaalde mijn diploma als scheepswerktuigkundige aan de Hogere Zeevaartschool in Antwerpen, maar de zee riep mij. Als schipper was ik destijds de topbesommer, die dus de grootste vangsten leverde aan de visveiling. Vooral in de jaren 60 verdienden we goed ons brood, toen de boomkorvisserij zijn intrede deed. Daarmee geraakte de sector ook wat los uit de rand van de samenleving, waarin ze voorheen wat vastgeroest zat”, vertelt hij. Met zijn bemanningsleden trok hij naar de Ierse Zee, het Bristolkanaal en de Noordzee, om er tong, schol en rog te vangen. “Ik zat liever op het water dan aan wal. Daarom voeren wij praktisch elke dag, door weer en wind. Zelf heb ik nooit schrik gehad en bij storm vroeg ik de jongens altijd of zij akkoord waren om de boot weg te zetten. Wij waren dikwijls meer dan tien dagen weg van huis, maar een zeemeermin hebben we helaas nooit in onze netten aan getroffen”, schatert Emiel. “Wel een dieptebom, die aan boord ontplofte nadat we ze hadden opgevist.”
Rechtvaardige voorzitter
Reeds voor het overlijden van zijn zoon had Emiel zijn kapiteinspet aan de haak gehangen, zodat hij toen ook met zijn dochter een sterke band kon opbouwen. Al bleef de voormalige schipper wel altijd actief in de visserij. “Dag en nacht volg ik de vaarroutes en de markt, en ik trek hier nog dikwijls mijn blauwgoed aan om een handje te helpen in de rederij”, toont hij. “Sinds 1990 ben ik ook de voorzitter van de Belgische quotacommissie, die elk jaar bepaalt hoeveel vis elk schip mag vangen, en in welke wateren. Bij die onderhandelingen zijn ook de wetenschap en politiek betrokken. Ik sta natuurlijk aan de kant van de vissers, al vragen ook biologen of kabinetsmedewerkers mij dikwijls om raad. Als voorzitter ben ik rechtvaardig en wil ik op een eerlijke manier mijn ondervindingen delen”, verklaart hij. “We hebben het visbestand de voorbije decennia met zijn allen enorm zien veranderen, maar vraag mij niet om hierover verdere voorspellingen te doen. Als ik in al die jaren één iets over de zee geleerd heb, dan is het wel dat ze een mysterie is en blijft.”